Het seizoen is amper goed en wel begonnen en toch kun je de klok er bijna op gelijkzetten. Binnenkort verschijnen de eerste berichten weer. Trainer en club gaan na dit seizoen uit elkaar. Contract wordt niet verlengd. In goed overleg besloten ieder een andere weg in te slaan. En als de resultaten echt tegenvallen, hoeft zelfs het einde van het seizoen niet meer te worden gehaald. Dan volgt die andere klassieker uit het amateurvoetbal: per direct uit zijn functie ontheven. Sterker nog, op sommige plaatsen is de carrousel alweer voorzichtig begonnen.
Het blijft een bijzonder fenomeen. In juni wordt een trainer binnengehaald als de man die de club verder moet brengen. In augustus is iedereen enthousiast over de voorbereiding en ergens in oktober kunnen drie nederlagen voldoende zijn om dezelfde trainer ter discussie te stellen. Dan komen de bekende geluiden. De spelersgroep zou niet meer tevreden zijn. De klik ontbreekt. De trainingsopkomst loopt terug. De verwachtingen worden niet waargemaakt. Er zou ‘iets spelen’ in de kleedkamer. En vanaf dat moment weet je meestal hoe laat het is. Niet veel later zit het bestuur bij elkaar en wordt er gesproken over vertrouwen. Zodra een voetbalbestuur uitgebreid moet uitleggen dat er nog vertrouwen in de trainer is, weet iedere trainer overigens dat hij zijn telefoon maar beter opgeladen kan houden.
Toch ligt het probleem niet alleen bij clubs. Trainers doen zelf net zo hard mee aan die merkwaardige wereld. Dezelfde trainer die in oktober vindt dat een bestuur achter hem moet blijven staan, kan in december doodleuk met een andere vereniging om tafel zitten. Trainers verlangen loyaliteit van spelers en clubs, maar zijn zelf soms al met volgend seizoen bezig voordat de kerstboom is opgetuigd. En wanneer de resultaten goed zijn, groeit niet zelden ook de invloed. Dan moet die speler komen, die andere juist vertrekken en wordt de technische koers steeds nadrukkelijker gekoppeld aan de wensen van één trainer. Totdat diezelfde trainer een paar maanden later vertrekt en de club achterblijft met een selectie die grotendeels voor hem is samengesteld.
Daar zouden verenigingen veel scherper op moeten zijn. Een trainer moet kunnen trainen en coachen. Hij moet zijn speelwijze bepalen, spelers beter maken en op zondag of zaterdag de elf opstellen waarvan hij denkt dat ze de grootste kans op succes bieden. Geef hem daarin vrijheid, verantwoordelijkheid en vooral vertrouwen. Maar een trainer mag nooit de technische koers van een vereniging worden. Hij is namelijk per definitie tijdelijk. De club niet. Selectiebeleid, jeugdopleiding, financiën en de identiteit van een vereniging moeten daarom altijd breder gedragen worden dan door degene die toevallig op dat moment voor de groep staat.
Andersom betekent dat ook dat een club niet na iedere slechte serie in paniek moet raken. Vier wedstrijden niet winnen betekent niet automatisch dat een trainer zijn spelersgroep kwijt is. Een boze wisselspeler vertegenwoordigt niet meteen de hele kleedkamer. En drie supporters aan de bar vormen nog geen technisch beleidsorgaan. Soms is de simpelste verklaring voor slechte resultaten ook gewoon de juiste: de tegenstander was beter, de selectie is minder sterk dan gedacht of de verwachtingen waren vanaf het begin te hoog. Alleen is het veel makkelijker om één trainer weg te sturen dan met elkaar te erkennen dat het probleem misschien ergens anders ligt.
En precies daar gaat het in het amateurvoetbal te vaak mis. Succes wordt collectief gevierd, maar bij tegenvallende resultaten wordt de verantwoordelijkheid razendsnel bij één persoon neergelegd. Terwijl diezelfde club een paar maanden eerder nog sprak over bouwen, ontwikkelen en een meerjarenplan. Blijkbaar duurt een meerjarenplan tegenwoordig precies zolang als de volgende nederlagenreeks.
Misschien wordt het daarom tijd dat zowel trainers als clubs eens wat minder naar de korte termijn kijken. Een trainer is geen wonderdokter die van een middenmoter binnen drie maanden een kampioenskandidaat maakt. Maar hij is ook niet de eigenaar van de technische afdeling zodra het goed gaat. De beste samenwerkingen ontstaan waarschijnlijk precies ergens daartussenin: een trainer die weet waarvoor hij verantwoordelijk is en een club die weet waar zij zelf verantwoordelijk voor blijft.
De komende maanden zullen de berichten vanzelf weer binnenstromen. Trainers die vertrekken. Clubs die niet verlengen. Samenwerkingen die ‘in goed overleg’ eindigen en trainers die na een slechte zondagavond op maandagmorgen ineens niet meer welkom zijn. Daarna begint het grote doorschuiven. De trainer die bij club A vertrekt, duikt op bij club B, waardoor de trainer van club B weer kandidaat wordt bij club C. En ergens in juni staat iedereen weer lachend met een shirtje in zijn handen voor de camera.
Nieuwe trainer. Nieuwe ambities. Nieuwe plannen.
Tot de eerste drie nederlagen.
Dan begint het hele circus gewoon opnieuw.
Freek Bosch










