Wessel Braat is pas 22 jaar, maar kent SAB door en door. De verdediger speelt al zijn hele leven voor de club en is inmiddels voornamelijk als rechtsback actief in het eerste elftal. Af en toe schuift hij naar het centrum van de verdediging. Braat ziet zichzelf vooral als een speler die zijn werk voor het team doet. „Ik ben een speler die altijd hard voor het team wil werken. Verdedigend ben ik aardig en vooral koppen is mijn specialiteit. Aan de bal ben ik minder sterk.”
Dat koppen beschouwt hij ook als zijn grootste kwaliteit. Niet zozeer vanwege zijn sprongkracht, maar vooral door zijn gevoel voor het juiste moment. „Ik kan redelijk springen, maar vooral mijn timing is goed.” Zijn favoriete speler Stefan de Vrij past wat dat betreft bij de positie die Braat zelf bekleedt. Als kind keek hij vooral graag naar Marco Reus. „De manier van verdedigen en de degelijkheid van De Vrij is iets waar ik veel bewondering voor heb.” Zijn favoriete club is NAC Breda.
Een van de momenten die Braat niet snel zal vergeten, is zijn eerste doelpunt voor het eerste elftal van SAB. Juist doordat hij binnen de vereniging is opgegroeid, had die treffer extra betekenis. „Als kleine jongen kijk je op naar het eerste elftal. Om daar vervolgens zelf te mogen staan en voor het eerst te scoren, voelt heel speciaal.”
Persoonlijke doelpunten zijn voor de verdediger echter ondergeschikt aan het resultaat. Gevraagd naar de keuze tussen een hattrick in een verloren wedstrijd of een beslissend doelpunt in de laatste minuut, is Braat duidelijk. „Als verdediger zou een hattrick in een verloren wedstrijd voor mij weinig betekenen. Als ik in de laatste minuut kan scoren om resultaat te boeken voor het team, zou ik dat altijd belangrijker vinden.”
Het liefst treft hij tegenstanders uit de omgeving, vooral omdat hij het leuk vindt om tegenover bekenden te staan. Aan het begin van het seizoen keek hij daarom met extra belangstelling uit naar Riel. „Vorig jaar hebben we daar op een hele rare manier verloren en het was tijd om eindelijk revanche te pakken.” Inmiddels kijkt hij vooral uit naar de thuiswedstrijd tegen Raamsdonk. „Na de afgelopen wedstrijd gezien te hebben, denk ik dat we thuis weer een mooie wedstrijd kunnen neerzetten en nu wel de drie punten binnen kunnen slepen.”
In zijn ontwikkeling wijst Braat vooral naar Tonie Snoeren. Zowel als trainer als speler heeft Snoeren volgens hem een belangrijke invloed gehad. „Meer rust aan de bal, minder blessures oplopen en vertrouwen in mezelf creëren zijn dingen die hij me heeft bijgebracht.”
Voor wedstrijden kent Braat nauwelijks vaste rituelen of bijgeloof. Eén gewoonte heeft hij wel: niet te veel eten. Met een uitgebreide maaltijd achter de kiezen voelt hij zich naar eigen zeggen zwaarder en minder behendig. Ook heeft hij een duidelijke voorkeur voor echt gras. Dat is de ondergrond waarop hij bij SAB altijd heeft gespeeld en volgens Braat krijgt hij op kunstgras sneller last van blessures.
In de kleedkamer is het ondertussen niet alleen serieus. Diego Jansen wordt door Braat aangewezen als de grootste grappenmaker van het gezelschap. „Als hij ook maar een kans ziet om de trainer in de maling te nemen, pakt hij die kans.” Zelf ontkomt Braat evenmin aan de humor van zijn ploeggenoten. Door zijn lange, dunne postuur en wat slungelige uitstraling op het veld luistert hij binnen de selectie naar de bijnaam ‘Bambi’.
Ook muzikaal heeft hij zo zijn voorkeuren. Oasis, Green Day en Nickelback mogen van hem vaker door de kleedkamer schallen. Na de wedstrijd is Braat bovendien niet iemand die direct huiswaarts keert. „Ik ben altijd in voor de derde helft. Als er een pilsje klaarstaat, ben ik aanwezig. Niet alleen zondag, maar ook donderdag na de training is het bij SAB gezellig in de derde helft.”
Naast die gezelligheid zijn de sportieve doelstellingen serieus. SAB wil dit seizoen een stap omhoog zetten en Braat steekt die ambitie niet onder stoelen of banken. „De ambities voor ons zijn erg duidelijk: promoveren. We hebben wat frisse nieuwe krachten en de sfeer onderling is erg goed, dus ik denk dat we het dit seizoen kunnen gaan flikken.”
Zelf wil hij daar vanuit de defensie zijn bijdrage aan leveren. Zo vaak mogelijk de nul houden staat bovenaan zijn persoonlijke lijstje. Daarnaast heeft hij nog een doel dat met een knipoog gepaard gaat. „Misschien iets minder gele kaarten krijgen. Ik heb er na twee wedstrijden wel al één, dus ik ben in dat opzicht nog niet echt goed bezig.”










