Een speler die terechtstond vanwege het geweld tijdens een wedstrijd bij PCP is vrijgesproken. De rechtbank vindt het bewijs onvoldoende om vast te stellen dat de verdachte betrokken was bij het slaan of schoppen van een speler die bij het incident ernstig gewond raakte.
Het opstootje ontstond op 25 februari 2024, ongeveer twaalf minuten na het begin van de wedstrijd tussen PCP Breda en SSW Dordrecht. Een speler van PCP werd in zijn gezicht geraakt en kreeg, terwijl hij op de grond lag, een schop tegen zijn hoofd. Hij liep onder meer een gebroken jukboog, een gebroken oogkas en een hersenschudding op. De wedstrijd werd vervolgens gestaakt.
Tijdens het onderzoek kwamen verschillende verklaringen naar voren. Het slachtoffer wees een andere speler aan als degene die hem had geslagen, terwijl vijf teamgenoten juist de verdachte aanwezen. Vanuit het bezoekende team werd zijn betrokkenheid ontkend. Twee spelers verklaarden dat hij zich tijdens het incident juist terugtrok.
Ook de verklaringen over de rugnummers boden volgens de rechtbank onvoldoende duidelijkheid. De scheidsrechter noemde aanvankelijk meerdere spelers, maar kwam daar enkele dagen later gedeeltelijk op terug.
Camerabeelden brachten evenmin uitsluitsel. Ze werden kort voor de rechtszaak aan het dossier toegevoegd, waren onduidelijk en waren door de politie niet nader beschreven.
Daarmee kon volgens de rechtbank niet worden bewezen dat de verdachte zelf geweld gebruikte of daaraan een wezenlijke bijdrage leverde. Vrijspraak volgde voor zowel openlijke geweldpleging als mishandeling.
De rechtbank uitte wel kritiek op de spelers van het bezoekende team, omdat volgens de rechters ook na bijna tweeënhalf jaar geen volledige duidelijkheid over het incident is gegeven. De schadeclaim van ruim 69.000 euro van het slachtoffer kon door de vrijspraak niet worden behandeld. Een eventuele schadevergoeding kan nog via een civiele procedure worden geprobeerd.











