Bij de eerste amateurclubs zit het eerste trainingsblok er alweer op, anderen werken de laatste trainingen af voordat de oefencampagne echt begint, terwijl een deel van de verenigingen de komende weken pas aan de voorbereiding begint. Eén ding hebben al die eerste trainingen gemeen: ieder seizoen voelt het weer als een klein ritueel waar iedere amateurvoetballer zich stiekem op verheugt én tegelijkertijd tegen opziet.
Na weken van vakantie verzamelen spelers zich weer op een uitgedroogd trainingsveld. De zomerse kleurtjes zijn nog zichtbaar op de kuiten, de vakantiekilo’s soms ook. De ogen verraden dat de laatste avond op het terras of in de feeststraat misschien net iets te gezellig was. Ondertussen staat de trainer al klaar. Fris, enthousiast en gewapend met een tas vol pionnen. Ballen lijken vaak bijzaak. Eerst moet er gelopen worden.
De oudere spelers kijken elkaar veelzeggend aan. Ze weten precies wat hen te wachten staat. Sprintjes, intervalvormen, een bosloop of misschien zelfs een coopertest. Het plezier begint pas zodra de bal eindelijk verschijnt. Toch hoort het er allemaal bij. Na afloop wacht immers de kantine, waar soep, broodjes of de presentatie van het nieuwe trainingspak of wedstrijdshirt de pijn in de benen alweer een beetje verzachten.
Voor veel spelers begon de voorbereiding overigens al aan het einde van vorig seizoen. Of beter gezegd: toen kregen ze een schema mee naar huis. Een keurig overzicht met looptrainingen, stabiliteitsoefeningen en rekoefeningen. Op papier een uitstekend plan. In de praktijk verdwijnen die schema’s meestal ergens tussen oude scheenbeschermers en bezwete sokken in de voetbaltas. Pas een paar dagen voor de eerste training worden ze weer teruggevonden.
Natuurlijk zijn er altijd uitzonderingen die in de vakantie fanatiek blijven doortrainen, maar de gemiddelde amateurvoetballer kiest eerder voor een boulevardwandeling dan voor een intervaltraining. Waar vroeger de bal de hele zomer meeging naar het trapveldje, ligt hij tegenwoordig wekenlang onaangeroerd in de schuur. Een potje jeu de boules op de camping of een wandeling naar de dichtstbijzijnde strandtent geldt voor velen al als voldoende beweging.
Een ander vast onderdeel van de voorbereiding zijn de nieuwe gezichten. Iedere club presenteert in de zomer weer een aantal aanwinsten. Vaak gaan daar mooie verhalen aan vooraf. De nieuwe middenvelder zou ooit op hoog niveau hebben gespeeld, de spits zou garant staan voor doelpunten en de verdediger zou een leider zijn. Op de eerste training blijkt de werkelijkheid soms iets minder spectaculair. De eerste balaanname is wat ongelukkig, de eerste sprint niet bijzonder snel en na een paar weken blijkt een basisplaats toch lastiger te veroveren dan vooraf gedacht.
Toch zijn er ook nieuwelingen die zich moeiteloos aanpassen. Vaak zijn dat spelers die vanwege een verhuizing of studie bij een club terechtkomen. Zonder veel woorden sluiten ze aan, doen hun werk en groeien vanzelf uit tot een vaste waarde binnen de groep.
En dan is er die eerste trainingsavond zelf. Het moment waarop voetbal weer langzaam een vast onderdeel van de week wordt. De vakantie verdwijnt definitief naar de achtergrond en het lichaam krijgt een harde herinnering aan wat het de afgelopen weken heeft gemist. De spieren protesteren, de ademhaling hapert en de volgende ochtend voelt traplopen ineens als een topsport.
Toch overheerst vooral het optimisme. Iedereen begint weer op nul. Er is een nieuwe trainer of een nieuwe ploeggenoot, misschien een nieuw systeem en ongetwijfeld weer frisse ambities. Op de eerste training lijkt alles nog mogelijk. Misschien wordt dit wel het seizoen waarin je eindelijk basisspeler bent, twintig doelpunten maakt of met de club promoveert.
Dat is misschien wel de charme van de voorbereiding in het amateurvoetbal. Niet de sprintjes, niet de looptesten en zelfs niet de spierpijn maken deze periode bijzonder. Het is vooral het gevoel dat een nieuw seizoen weer nieuwe kansen biedt. Voor heel even gelooft iedere amateurvoetballer dat dit zijn jaar kan worden.











