Het is een bekend fenomeen in het amateurvoetbal, en we lijken het steeds normaler te zijn gaan vinden. Een club stelt een nieuwe trainer aan en vrijwel direct begint de telefoon te rinkelen. Vrienden van de trainer. Oud-spelers van de trainer. Spelers die ooit met hem hebben gewerkt. Spelers die vooral voor hem willen spelen.
Een paar maanden later presenteert de club trots een reeks nieuwe aanwinsten. De selectie wordt sterker, de ambities groeien en de resultaten verbeteren. Bestuur tevreden, trainer tevreden, spelers tevreden. Iedereen blij.
Tot de trainer vertrekt.
Dan blijkt soms hoe kwetsbaar het fundament eigenlijk was.
Want een deel van de spelers kwam niet voor de club. Ze kwamen voor de trainer. En als die trainer een nieuwe uitdaging aangaat, volgt een deel van de selectie hem zonder aarzelen. De ene keer zijn het twee spelers, de andere keer vijf of zes. Soms zelfs meer. Wat jarenlang is opgebouwd, kan in één zomer voor een groot deel verdwijnen.
Het opvallende is dat dit zelden begint met slechte bedoelingen. Trainers willen winnen. Clubs willen groeien. Spelers willen graag werken met iemand die ze vertrouwen. Op zichzelf is daar niets mis mee.
Maar de vraag is wel: bouw je dan aan een club of aan een tijdelijke verzameling spelers rondom één persoon?
Vooral in de grotere steden zie je dit steeds vaker gebeuren. Daar zitten meerdere verenigingen dicht op elkaar. Een speler hoeft niet te verhuizen, hoeft niet verder te reizen en kent vaak al de helft van de selectie bij zijn nieuwe club. De overstap is snel gemaakt. De loyaliteit ligt steeds minder bij het shirt en steeds vaker bij de persoon voor de groep.
Het echte probleem wordt pas zichtbaar wanneer de muziek stopt.
Dan blijft er een club achter die opnieuw moet beginnen. Een club die soms jarenlang externe spelers voorrang gaf boven jongens uit de eigen gelederen. Spelers die trouw bleven, iedere week trainden, reserve stonden wanneer dat nodig was en ondertussen zagen hoe anderen werden binnengehaald om hun plek in te nemen.
En wanneer de club hen vervolgens nodig heeft, blijkt dat de bereidheid om alsnog op te staan voor het eerste elftal niet altijd vanzelfsprekend meer is.
Dat is misschien nog wel de grootste schade van deze ontwikkeling. Niet het vertrek van spelers. Niet een verloren seizoen. Maar het langzaam verdwijnen van de verbinding tussen een eerste elftal en de rest van de vereniging.
Een club die volledig afhankelijk wordt van een trainer, maakt zichzelf kwetsbaar. Want trainers komen en gaan. Dat is altijd zo geweest en zal altijd zo blijven. Clubs die duurzaam succesvol zijn, zorgen ervoor dat spelers in de eerste plaats voor de vereniging kiezen. Voor de mensen, de cultuur, de geschiedenis en het gevoel dat ze ergens onderdeel van zijn.
Want als een trainer vertrekt en de halve selectie stapt mee de auto in, dan was het misschien nooit echt het elftal van de club geweest.
Dan was het simpelweg het elftal van de trainer.











