Bij VoetbalBrabant horen we vaak het verhaal van de trainer. Over druk, ontslagen en gebrek aan geduld. Maar elk verhaal kent meerdere kanten. Deze ingezonden tekst, die wij hebben ontvangen, laat juist dat andere geluid horen. Een geluid dat misschien schuurt, maar juist daarom de moeite waard is om te lezen.
Er zijn tegenwoordig nogal wat trainers in het amateurvoetbal die vooral druk zijn met hun eigen houdbaarheidsdatum. Ze klagen dat ze te snel worden ontslagen. Dat clubs geen geduld meer hebben. Dat besturen zwalken. Dat spelers anders zijn geworden. Minder weerbaar, minder trouw, minder bereid om ergens doorheen te gaan. Het is een refrein dat je steeds vaker hoort langs de lijn, in kantines en in columns op sportpagina’s.
En ongetwijfeld zit daar soms een kern van waarheid in. Er zijn clubs die bij de eerste tegenwind al nerveus worden. Er zijn bestuurders die liever ingrijpen dan het echte gesprek voeren. En ja, er zijn ook spelersgroepen die het laten lopen en pas iets roepen als het al te laat is. Maar laten we ophouden te roepen dat trainers in dat verhaal vooral slachtoffer zijn. Er waart door het hele amateurvoetbal ook een ander probleem rond. En dat draagt gewoon een trainingspak.
Er lopen tegenwoordig nogal wat trainers rond die zich gedragen alsof ze net één stap verwijderd zijn van een baan in het betaalde voetbal. Alsof de club waarvoor ze actief zijn niet snapt hoe ‘het echte voetbal’ in elkaar steekt. Alles moet professioneler, strakker, intensiever en met meer controle. Ze praten over spelprincipes, restverdediging, kantelmomenten, data, intensiteit, belastbaarheid en discipline alsof ze op zaterdag- of zondagmiddag de hoofdmacht van Ajax staan voor te bereiden, terwijl ze in werkelijkheid een groep amateurs voor zich hebben die maandag gewoon weer naar hun werk moet. Daar zit precies de weeffout.
Amateurvoetbal is geen podium voor de trainer. Het is ook geen speeltuin voor zijn bewijsdrang. Het is een wereld van mensen die voetballen omdat ze ervan houden. Die jongen op rechtsbuiten heeft misschien de hele week gewerkt. Die centrale verdediger heeft kleine kinderen en heeft twee keer training gemist omdat er thuis ook nog zoiets als een leven is. Die middenvelder komt echt niet naar de club om onderdeel te zijn van een tactisch experiment. Die komt om te voetballen. Om te winnen, ja. Maar ook om zijn hoofd leeg te maken. Om onderdeel te zijn van een groep. Om even weg te zijn van alles. Om plezier te hebben. Dat laatste wordt door sommige trainers bijna behandeld als een noodzakelijke bijkomstigheid, terwijl het juist het fundament onder alles is. Zonder plezier geen energie. Zonder energie geen groep. Zonder groep geen prestatie.
Te veel trainers hebben dat principe niet meer als uitgangspunt. Ze beginnen bij hun eigen methode. Bij hun idee over voetbal. Bij hun manier van werken. De groep moet zich vervolgens maar voegen naar het plan van de trainer. Alsof je met genoeg theorie, genoeg afspraken en genoeg controle vanzelf een team bouwt. Hoe dan? Een spelersgroep is geen blok klei. Het zijn mensen. Met eigen karakters, beperkingen, werk, thuisfront, humeur en elk hun eigen reden om op dat veld te staan.
Wie dat niet begrijpt, verliest zijn groep. Altijd. Niet per se in de eerste maand. Soms gaat het veel geleidelijker. Eerst gaat de lol eraf. Dan de scherpte. Dan het onderlinge vertrouwen. Spelers gaan op halve kracht spelen, zeggen minder, lachen minder en geven minder. De trainer voelt dat en gaat juist meer drukken. Nog meer corrigeren, nog meer praten, nog meer sturen. En precies daar ontstaat vaak het breekpunt. Dan is de trainer verbaasd dat de club ingrijpt. Maar waarom eigenlijk?
Niet iedere trainer wordt te snel ontslagen. Soms wordt hij buitengezet omdat hij de aansluiting met zijn selectie kwijt is. Omdat hij zichzelf belangrijker heeft gemaakt dan de groep. Omdat hij dacht dat amateurvoetbal draaide om zijn model in plaats van om de mensen die het moeten uitvoeren. Dat horen trainers alleen niet graag, omdat het een ongemakkelijke waarheid is. Zeker in een voetbalwereld waarin trainers zichzelf graag zien als vakmensen die lijden onder de korte termijn visie van clubs. En nogmaals: vakmanschap is prima. Meer dan prima. Een trainer moet iets toevoegen. Hij moet organiseren, beter maken, structuur brengen, eisen stellen. Maar zodra hij vergeet dat hij met echte mensen werkt en niet met marionetten, begint het gedonder.
De beste trainers zijn zelden de trainers die het hardst roepen hoe het moet. Het zijn meestal de trainers die goed aanvoelen wat een groep op welk moment nodig heeft. Die verstand van voetbal hebben, soms zelfs heel veel, maar die zichzelf niet groter maken dan het spel of hun groep. Die weten wanneer het strak moet en wanneer het losser moet. Die respect afdwingen zonder voortdurend de baas te spelen. Die snappen dat een elftal geen project is, maar een verzameling mensen die jou eerst moeten vertrouwen, voordat ze voor je willen gaan.
Misschien zou dat veel trainers goed doen: wat minder vaak naar de club wijzen en wat meer in de spiegel kijken. Waarom sta je eigenlijk op het veld? Om iets te bewijzen? Om hogerop te komen? Om te laten zien hoeveel je van voetbal weet? Of gewoon omdat je van het spelletje houdt en iets moois wilt bouwen met de mensen die je als selectie gegeven zijn, en de grote groep hardwerkende vrijwilligers eromheen? Dat is geen geitenwollensokken-vraag. Dat is de hoofdvraag. Want een trainer die alleen maar bezig is met zijn eigen gelijk, vliegt er vroeg of laat uit. En wat mij betreft nog terecht ook. Misschien moet de KNVB daarom stoppen met alleen diploma’s uitdelen. Sommige trainers zijn meer geholpen met een spiegel dan met een certificaat.






