Er is een bijzonder type bestuurder in het voetbal: de technisch manager die, wanneer het misgaat, tot de conclusie komt dat er eigenlijk maar één man is die het tij kan keren, hijzelf.
Het patroon is vertrouwd. In de zomer wordt een trainer aangesteld. Er hoort een verhaal bij: verjonging, nieuwe energie, een duidelijke koers. De selectie is zorgvuldig samengesteld, de plannen zijn doordacht en het vertrouwen is, vanzelfsprekend, 100 procent. In het voetbal bestaat geen 78 procent vertrouwen. Het is alles of niets. Tot het niets wordt.
Dan volgt de mindere reeks. Nederlagen stapelen zich op, doelpunten blijven uit, het woord “ondergrens” valt in een interview. Onrust groeit. En plots is daar de conclusie: dit kan zo niet langer. Er moet worden ingegrepen.
Opvallend genoeg betekent ingrijpen zelden dat de technisch manager zijn eigen rol tegen het licht houdt. Terwijl hij degene was die de trainer aanstelde, de selectie samenstelde en de koers bepaalde. De verantwoordelijkheid verschuift een paar meter naar voren, richting dug-out. De trainer verliest. De visie blijft.
En dan komt de wending: de technisch manager daalt zelf af naar het veld. Van beleidsmaker naar bankzitter. Hij doet het niet voor zichzelf, benadrukt hij, maar voor de club. Omdat de situatie erom vraagt. Omdat hij het niet langer kon aanzien.
Het is een elegante constructie. Slaagt de missie, dan is hij de redder die op tijd ingreep. Mislukt zij, dan was het probleem blijkbaar dieper dan één trainer. In beide gevallen blijft de technisch manager overeind. Hij beoordeelt zijn eigen besluit, en krijgt zelden ongelijk.
Dat kan moedig zijn. Het kan ook comfortabel zijn.
Want in het voetbal is falen meestal van degene die het uitvoert. Tot de beleidsmaker besluit het zelf uit te voeren. Dan heet het geen falen meer.
Dan heet het leiderschap.
Freek Plaisier












