John Meijs (60) woont in Drunen en combineert al jarenlang werk, gezin en voetbal. In het dagelijks leven is hij werkzaam op de planningsafdeling van Koninklijke Ahrend in Sint-Oedenrode, terwijl hij op sportief vlak inmiddels voor het vierde seizoen trainer is bij SCG’18 in Sint-Michielsgestel. Zelf noemt hij die combinatie vooral “een kwestie van organiseren en elkaar de ruimte geven”.
Dankzij flexibele werktijden kan John zijn werkdagen vroeg beginnen. “Ik start meestal rond half zeven en probeer om half vier af te ronden. Dat geeft rust in de avond.” Die structuur maakt het mogelijk om thuis gezamenlijk te eten en daarna ieder zijn eigen programma te laten volgen. “Voor mij betekent dat trainingen geven, trainingen voorbereiden, bellen met mensen binnen de club of gewoon even ontspannen. Dit doen we thuis al jaren zo en iedereen weet waar hij aan toe is.” Die balans is volgens hem cruciaal om het trainerschap vol te houden. “Als het thuis niet loopt, kun je op het veld ook niet scherp zijn. Dat geldt andersom net zo.”
Zijn motivatie om trainer te blijven in het amateurvoetbal is door de jaren heen nauwelijks veranderd. “Ik haal mijn voldoening uit het beter maken van spelers en teams,” zegt hij. “Ik zie mezelf echt als een docent in het vak voetbal. Ik reik dingen aan, maar spelers moeten uiteindelijk zelf leren en ontdekken.” Daarbij staat het team altijd centraal, al begint ontwikkeling volgens John bij het individu. “Elke speler die beter wordt, maakt het team sterker.”
Die visie heeft hij opgebouwd over een lange periode. Al op vijftienjarige leeftijd zette hij zijn eerste stappen als trainer bij Vlijmense Boys. “Ik begon als grensrechter en assistent, gewoon omdat ik het leuk vond om met voetbal bezig te zijn.” Al snel kreeg hij meer verantwoordelijkheid en werd hij zelfstandig trainer van jeugdteams. “Dat heb ik zo’n tien jaar gedaan, naast het zelf voetballen.”
Rond zijn dertigste besloot hij het trainerschap serieuzer aan te pakken. “Toen dacht ik: als ik dit blijf doen, wil ik het goed doen.” Hij begon met het volgen van cursussen en maakte de overstap naar andere verenigingen. Zijn eerste ervaringen in het seniorenvoetbal deed hij op bij het tweede elftal van RKVV Schijndel. “Dat was echt leren in de praktijk,” zegt hij. “Daar heb ik ook mijn TC2-diploma gehaald.”
Na twee seizoenen volgde vv Blauw Geel, waar hij voor het eerst hoofdtrainer werd van een eerste elftal. “Dat was een belangrijke stap. Je merkt dan dat er meer bij komt kijken dan alleen het veld.” In die periode behaalde hij ook zijn TC1-diploma. Vervolgens belandde hij bij OJC Rosmalen, op het hoogste niveau van het amateurvoetbal. “Dat waren vijf intensieve, maar prachtige jaren. Ik heb daar ontzettend veel geleerd, niet alleen over voetbal, maar ook over hoe een cluborganisatie werkt.”
Na OJC volgden meerdere verenigingen, waaronder TOP, UDI’19, RKDVC, Prinses Irene, vv Rhode en uiteindelijk SCG’18. “Als je het zo op een rijtje zet, ben ik nu bijna dertig jaar trainer,” zegt hij met een glimlach. “Dan heb je veel meegemaakt: mooie successen, teleurstellingen en ook verdrietige momenten.”
Hoewel kampioenschappen vaak worden gezien als hoogtepunten, kijkt John daar genuanceerd naar. “Natuurlijk zijn titels mooi, maar de ontwikkeling van een team of een speler raakt mij veel meer.” Teleurstellingen zitten voor hem ook niet altijd in verloren wedstrijden. “Als spelers afhaken, doet me dat meer pijn. Dan denk ik: had ik iets anders kunnen doen? Dat voelt persoonlijker dan een nederlaag op zaterdag.”
Die zelfreflectie is voor hem een belangrijk onderdeel van het vak. “Je moet in de spiegel blijven kijken. Succes wil je herhalen, bij tegenslag wil je begrijpen wat je kunt verbeteren.” Inspiratie haalt John niet alleen bij andere trainers. “Ik leer vooral van de mensen om me heen,” legt hij uit. “Van spelers, van bestuurders, van mensen binnen de club.” Volgens hem is het essentieel om eerst te begrijpen hoe een vereniging in elkaar zit. “Je wordt ergens aangesteld om te helpen. Dan moet je weten wat de cultuur is en hoe mensen denken. Pas daarna kun je stappen zetten.”
Zijn voetbalvisie is helder en herkenbaar. “Ik probeer zoveel mogelijk uit te gaan van balbezit,” zegt hij. “Wat doen we als we de bal hebben? Dat is het uitgangspunt.” In trainingen betekent dat veel spelvormen met de bal. “Ik wil spelers laten nadenken. Niet alles voorkauwen, maar samen ontdekken welke oplossingen er zijn.” Tegelijk verliest hij het fysieke aspect niet uit het oog. “Zonder goede voorwaarden kun je die ideeën nooit een hele wedstrijd volhouden.” De balans tussen presteren, ontwikkelen en plezier noemt hij “een van de lastigste onderdelen van het trainerschap”. “Het ideale plaatje is simpel: je wint, iedereen heeft plezier en spelers willen zich ontwikkelen. Maar zo werkt het niet altijd.” Soms leidt plezier tot betere prestaties, soms zorgen resultaten juist voor meer plezier. “Daar moet je als trainer elke week opnieuw gevoel bij hebben. Eén verkeerde keuze kan een proces verstoren.”
Binnen een selectie met verschillende karakters en ambities staat voor hem het individu centraal. “Een speler moet zich prettig voelen, want dan presteert hij beter.” Tegelijk benadrukt hij het belang van het team. “Het welzijn van de één mag nooit ten koste gaan van de ander of van het geheel. Het team staat bovenaan, maar bestaat uit individuen.” Teamcultuur ziet hij als iets dat je moet benutten, niet veranderen. “Elke club heeft zijn eigen identiteit. Die moet je respecteren.” In een veilige omgeving kunnen spelers groeien. “Waardering voor elkaar, plezier in wat je doet en elkaar stimuleren, dat is de basis.”
Voor de rest van het seizoen bij SCG’18 is zijn doel helder. “Ik wil dat spelers zich blijven ontwikkelen, zodat het team beter wordt.” De ambitie is om in de bovenste helft van de ranglijst te blijven. “Maar belangrijker is dat we bouwen aan iets voor de komende jaren.”
Zijn persoonlijke ambitie houdt hij bewust dicht bij zichzelf. “Ik denk niet in grote plannen,” zegt hij. “Ik wil nog een paar jaar bij een club werken en daarna kunnen zeggen dat ik iets heb toegevoegd.” Daarbij blijft hij ook zelf leren. “Je moet open blijven staan voor veranderingen, zeker richting de jeugd. Als je te star wordt, raak je elkaar kwijt.”
Een specifieke wedstrijd die hem altijd bijblijft, kan hij niet noemen. “Het zijn er te veel,” lacht hij. “Alles bij elkaar maakt wie je bent.” Op wedstrijddagen bereidt hij zich zorgvuldig voor, met een mix van vastigheid en vernieuwing. “Altijd hetzelfde werkt niet, dan verslapt de aandacht. Maar je hebt ook structuur nodig voor vertrouwen.” “Die balans,” besluit hij, “blijft elke week opnieuw zoeken. Dat maakt het vak zo mooi.”











