Er was een tijd dat een amateurtrainer gewoon trainer was. Je zette een paar pionnen neer, floot op je fluitje, en de groep wist: werken. De selectie was groot, de mentaliteit simpel. Wie te laat was, liep een rondje extra. Wie zijn man liet lopen, kreeg een snauw van een medespeler. Want ja, vroeger corrigeerde de groep elkaar nog. De trainer hoefde niet overal bovenop te zitten; het elftal hield zichzelf wel scherp. De kleedkamer was soms harder dan de training.
Maar dat tijdperk is voorbij. De moderne amateurtrainer is minder veldbaas en meer manager, psycholoog en diplomaat. Een training voorbereiden is één ding, maar het echte werk begint zodra er gesprekjes gevoerd moeten worden. Want spelers willen tegenwoordig overal uitleg voor. Waarom sta ik ernaast? Waarom speel ik op die positie? Waarom ben ik gewisseld? Waar vroeger een knik voldoende was, is nu een PowerPoint bijna te weinig.
Ook het speelsysteem binnen de club is veranderd. Vroeger waren selectiespelers bereid een team lager te helpen. Zonder klagen, zonder discussie. Tegenwoordig zie je iets anders: spelers die niet in het eerste of tweede elftal staan, stoppen liever en duiken een vriendenteam in. Want daar is het gezelliger, minder druk, minder uitleg nodig. Het gevoel dat je in een team zit, maakt steeds vaker plaats voor het idee dat voetbal vooral comfortabel moet zijn.
En dan de beschikbaarheid. Weekendjes weg, verjaardagen, festivals, overwerk… Soms lijkt het alsof de trainer meer tijd kwijt is aan het inventariseren van afmeldingen dan aan het maken van een opstelling. Die opstelling verandert bovendien tot op de ochtend van de wedstrijd, omdat niet iedereen er evenveel zin in heeft, of omdat er elders een borrel dreigt gemist te worden.
Wat misschien nog wel het meest veranderd is: het ontbreken van interne correctie. Waar spelers vroeger elkaar aanspraken op inzet, op houding, op gedrag, kijkt men nu vooral naar de trainer. Die moet het oplossen, die moet bemiddelen, die moet het gesprek aan. Het zelfreinigend vermogen van een groep — ooit de sterkste motor van teamdiscipline, is langzaam verdampt. En dus loopt de trainer met een emotionele stofzuiger achter de groep aan, in plaats van dat de spelers de rommel zelf opruimen.
Toch blijft hij komen, die amateurtrainer. Tussen alle gevoeligheden, schema’s, twijfels en afmeldingen door, zijn er nog steeds momenten waarop het klopt. Een onverwachte overwinning, een speler die tóch doorbreekt, een training waar alles op z’n plek valt. Dat maakt veel goed.
Maar soms, heel soms, mijmer ik terug naar vroeger. Toen teams rauwer waren, directer, en de kleedkamer zelf de norm bepaalde. Toen een trainer mocht brommen en de groep daar harder van ging lopen.
De amateurtrainer van nu heeft meer geduld nodig, meer woorden, meer zachtheid, maar de liefde voor het spel blijft hetzelfde. En zolang die bal rolt en de geur van liniment de kleedkamer vult, blijft hij opdraven. Met fluitje, met hart, en met een enorm incasseringsvermogen.
Freek Plaisier











