Ze zeggen dat sommige elftallen meer achterlaten dan alleen uitslagen. Het seizoen 1988/1989 van RKSV Schijndel was zo’n jaar. Het begon zonder Jack de Gier, die verrassend een contract tekende bij FC Den Bosch. “Dat kwam toen bijna niet voor,” herinnert men zich. “Een amateur die prof wordt, dat was uniek.” Toch was het juist dít seizoen waarin Schijndel liet zien dat een ploeg, gebouwd op vertrouwen, vriendschap en eigen jongens, tot iets groots in staat was.
Trainer Pieter Tuns ziet het nog levendig voor zich. “Het grootste deel van dat elftal kwam uit onze eigen jeugd,” zegt hij. “We hadden Kees van de Loo en Guus Walravens uit Best, maar verder was het Schijndel, puur. Na de training bleven de jongens zitten in de kantine, op donderdagavonden, om samen iets te drinken. Daar werd de sfeer gesmeed. We deden alles samen. Dat herhaalde zich op zondag, na de wedstrijd. Het maakte ons sterk.”
Die kracht bleef niet onopgemerkt. “In het dorp leefde iedereen mee,” vertelt hij. De duels tegen Avanti brachten honderden mensen op de been. Binnen de lijnen stevig, buiten de lijnen vriendschappelijk. “Rivaliteit zonder haat,” zegt oud-speler John Blummel. “Wij waren met iedereen bevriend, maar op het veld gaven we geen centimeter.”

In die ploeg stonden niet alleen ervaren namen, maar ook jonge talenten. Theo van Geffen was er zo één, rechtstreeks vanuit de A1 het eerste elftal in. “Dat was eigenlijk ongebruikelijk,” zegt hij nu. “Ik was nog maar net senior en stond ineens tussen mannen die ik bewonderde. Dat ik dat heb mogen meemaken… voetbal heeft mij een gelukkig mens gemaakt.”
John Blummel beschrijft het elftal als een zeldzame mix van karakters. “We hadden veel kwaliteit, maar niemand liep als vedette rond. We lieten elkaar in waarde en deden een stap extra, altijd. Pieter Tuns was een goudeerlijke trainer. Hij motiveerde, maar hij zette je ook op de plek waar je tot je recht kwam.”
Als hij namen moet noemen, denkt hij even na. “Zonder iemand tekort te doen, noem ik er drie. Cees van de Loo, altijd de kortste weg naar de goal, armen breed, onhoudbaar. Theo van Geffen, op het veld en daarbuiten onnavolgbaar. En Klaas Wels, nog jong, maar wat een mentaliteit.”
En dan kwam die dag in Bergen op Zoom, tegen MOC ‘17. Het kampioenschap. De promotie. De ontlading. “De platte kar,” zegt Pieter Tuns, “die vergeet ik nooit. De Hoofdstraat stond vol. Mensen hingen uit ramen. In de kantine kon je geen stap zetten. Alles was geel en blauw.” Hij glimlacht. “Theo van Veghel en Jan Bolwerk hadden zelfs een cassettebandje opgenomen met een clublied. Het hele elftal werd bezongen. Wie maakt dat nu nog mee?”
Maar niet alle herinneringen zijn sprookjesachtig. John Blummel stond dicht bij een profcarrière. “Ik speelde twee proefwedstrijden bij RKC,” vertelt hij. “Ik kreeg een contractvoorstel. Ik hoefde alleen nog gekeurd te worden.” Hij slikt even. “Slijtage aan mijn heupen. Ik moest acuut stoppen met voetbal. Dat was het einde. Dat deed pijn. Maar dit jaar, dit team, dat neemt niemand me af.”
Henri van Alebeek, reserveaanvoerder destijds, werd later trainer van Schijndel. Zes jaar lang. Tot hij stopte. Niet omdat het spel veranderde, maar omdat de mentaliteit veranderde. “Wat wij hadden,” zei hij, “dat komt niet meer terug.”
Aan het einde van zijn verhaal zoekt Pieter Tuns naar woorden. Hij leunt achterover. “Rinus Michels zei ooit…” Hij pauzeert. Dan klinkt het zacht, maar vastberaden:
“We zullen het nooit meer vergeten.”









